Taal

Braziliaans Portugees – Enkele taaltips

Portugees lijkt op Spaans (op papier) maar klinkt wel helemaal anders. Brazilianen zullen u doorgaans begrijpen wanneer u Spaans spreekt, maar u zal weinig begrijpen van wat zij zeggen. Portugees leren is dus geen tijdsverlies. Het Braziliaanse Portugees wijkt af van het originele Portugees door de invloed en mix met de talen & dialecten van de oorspronkelijke bewoners van het land (Indianen) en met die van de ingevoerde Afrikaanse slaven in de 16de eeuw. Het is makkelijk om vrienden te maken in Brazilië, maar de meerderheid spreekt geen of nauwelijks Engels (laat staan Nederlands, Frans of Duits). Stilaan komt daar verandering in, de meeste Braziliaanse jongeren leren nu Engels op school. Reken er echter niet op om veel Engels-sprekenden te ontmoeten indien u hier op reis komt, zeker niet buiten de grote steden. Zoveel te meer Portugees u spreekt, zoveel te meer zal u plezier hebben van uw verblijf.

Enkele nuttige links

Portugees Cursus
(ook online) (meer info)
Sonia Portuguese (online)
Michaelis (online woordenboek)
Avenida Brasil  Taleninstituut Braziliaans Portugees
Das Taaltraining Braziliaans Portugees leren met Daniel dos Santos in Amsterdam
Bab.la Online Vertalen
Free Translation


Uw Portugees is uitstekend!
Heeft u al in Brazilië gewoond?

Groeten & Plichtplegingen

Hallo – Oi
Tot ziens – Tchau
Goedemorgen – Bom Dia
Goedemiddag – Boa Tarde
Goedeavond – Boa Noite
Alstublieft – Por favor
Dank u – Obrigado/a
Dank u zeer – Muito obrigado/a
Ja – Sim
Neen – Não
Misschien – Talvez
Excuseer me – Com licensa
Verontschuldig me – Desculpe/me perdoe
Hoe gaat het? – Como vai você/Tudo bem?
Alles goed, dank u – Vou bem, obrigado/a / Tudo bem, obrigado/a

Taalproblemen

Spreekt u Engels? – Você fala inglês?
Spreekt er iemand Engels? – Alguem fala inglês?
Ik spreek geen Portugees – Eu não falo Português
Ik versta het niet – Eu não entendo
Schrijf het even op – Escreva por favor
Toon me aub (op de kaart) – Por favor, me mostre (no mapa)
Hoe zegt men … in het Portugees? – Como você fala … em Português?

Documenten

Ik heb een visum/vergunning – Eu tenho um visto/uma licensa
Paspoort – Passaporte
Voornaam – Sobrenome
Naam – Nome
Geboortedatum – Data de nascimento
Geboorteplaats – Local de nascimento
Nationaliteit – Nacionalidade
Mannelijk/vrouwelijk – Masculino/feminino

Korte uitdrukkingen

Hoe heet u? – Qual é seu nome?
Mijn naam is … – Meu nome é …
Ik ben toerist/student – Eu sou um turista/estudante
Van welk land bent u? – Da onde você é?
Ik ben Belg – Eu sou Belga
Hoe oud bent u? – Quantos anos você tem?
Ik ben … jaar – Eu tenho … anos
Bent u gehuwd? – Você é casado/a?
Houdt u van …? – Você gosta de …?
Mag ik? – Posso?
Dat is goed/geen probleem – Está tudo bem/Não há problema

Reizen

Ik wil naar … – Eu quero ir para …
Ik wil een plaats boeken voor … – Eu quero reservar um assento para …
Welk uur vertrekt/komt aan? – A que horas sai/chega?
Waar vertrekt/komt … aan? – Da onde o/a … sai/chega?
Vliegtuig – Avião
Boot – Barco
Bus – Onibus
Ferry – Ferry/balsa
Trein – Trem
Tram – Bonde
Hoe lang duurt de reis? – Quanto tempo a viagem demora?
Moet ik overstappen? – Eu precisa de trocar de …?
U moet van platform wisselen – Você precisa de trocar de plataforma
Enkele reis – Passagem de ida
Terugreis – Passagem de volta
Station – Estação
Ticket – Passagem
Loket – Bilheteria
Uurrooster – Horário
De trein heeft … O trem está …
Vertraging – Atrasado
Geannuleerd – Cancelado
Op tijd – Na hora
Vroeg – Adiantado
Ik wil een … huren – Eu gostaria de alugar um/uma …
Fiets – Bicicleta
Wagen – Carro
Gids – Guia
Paard – Cavalo
Motorfiets – Moto

Wegwijzer

Hoe geraak ik in …? – Como eu chego a …?
Waar is …? – Aonde é …?
Is het dichtbij/ver weg? – É perto/longe?
Welk … is dit? – O que é isto?
Huisnummer – Numero da casa
Straat/weg – Rua/estrada
Wijk – Bairro
Stad – Cidade
Rechtdoor gaan – Vá em frente
Links afslaan – Vire a esquerda
Rechts afslaan – Vire a direita
Aan de verkeerslichten – No farol
Op de volgende hoek – Na próxima esquina
Omhoog/omlaag – Acima/abaixo
Achter/voor – Atrás/em frente
Hier/daar – Aqui/lá
Oosten/westen – Leste/oeste
Noorden/zuiden – Norte/sul

Accomodatie

Ik zoek naar … – Eu estou procurando o/a …
Kampeerterrein – Camping
Pension – Pousada
Hotel – Hotel
Manager – Gerente
Eigenaar – Dono
Jeugdherberg – Albergue da juventude
Wat is het adres? – Qual é o endereço?
Heeft u een … beschikbaar? – Você tem um/uma … para alugar?
Goedkope kamer – Quarto barato
1 Persoonskamer – Quarto de solteiro
2 Persoonskamer – Quarto de casado
Kamer met twee bedden – Quarto com duas camas
Hoeveel per nacht? – Quanto é por noite?
Hoeveel per persoon? – Quanto é por pessoa?
Het is erg vuil – É muito sujo
Het is erg luidruchtig – É muito barulhento
Het is erg duur – É muito caro
Heeft u schone lakens? – Você tem um lençol limpo?
Heeft u warm water? – Você tem água quente?
Heeft u een sleutel? – Você tem uma chave?
Heeft u een douche? – Você tem um chuveiro?
Is het ontbijt inbegrepen? – O café de manha é incluído?
Mag ik de kamer zien? – Posso ver o quarto?
Ik/wij ga/gaan vertrekken – Eu estou/Nós estamos saindo agora
Waar is het toilet? – Aonde é o banheiro?

In de stad

Waar is … ? – Aonde é o/a …?
Stadscentrum – Centro da cidade
Ambassade – Embaixada
Konsulaat – Consulado
Postkantoor – Correio
Publiek toilet – Banheiro público
Restaurant – Restaurante
Telefoon centrum – Telefônica
Toeristen info kiosk – Posto de informaçôes turísticas
Brug – Ponte
Kathedraal – Catedral
Kerk – Igreja
Fort – Forte
Meer – Lago
Stadsplein – Praça principal
Oud stadsgedeelte – Cidade velha
Paleis – Palácio
Plein – Praça
Bank – Banco
Wisselkantoor – Casa de câmbio
Ik zou geld willen wisselen – Eu gostaria de trocar de dinheiro
Travellers cheques – Cheques de viagem


Kapperszaak, Tiradentes Plein 87, 1ste verdieping

Winkelen

Ik ben op zoek naar … Estou procurando …
Kleren – Roupas
Souveniers – Lembranças
Ik zou willen kopen … – Queria comprar …
Hoeveel kost het? – Quanto custa?
Het is erg duur – É muito caro
Mag ik het zien? – Posso ver?
Ik kijk alleen maar – Só estou olhando
Groot/groter – Grande/maior
Klein/kleiner – Pequeno/menor
Meer/minder – Mais/menos
Goedkoop/goedkoper – Barato/mais barato
Heeft u … ? – Você tem …?
Een andere kleur – Outra cor
Een andere maat – Outra tamanho
Aanvaard u …? – Você aceita …?
Kredietkaarten – Cartões de credito

Eten & drinken

Ontbijt – Café de manhá
Middagmaal – Almoço
Avondmaal – Jantar
Maaltijd – Refeição
Eetkraam – Barraca de comida
Kruidenier – Mercearia
Delicatessen – Confeitaria
Ik heb honger/dorst – Eu estou com fome/sede
Ik wil een dagschotel – Eu gostaria do prato feito por favor
Is de dienst inbegrepen? – O serviço esta incluído na conta?
Ik ben vegetariër – Eu sou vegetariano/a
Ik eet geen … – Eu não como …
Graag wat … – Eu gostaria de …
Graag een andere … aub – Outro/a … por favor
Bier – Cerveja
Getapt bier – Chopp
Brood – Pão
Boter – Manteiga
Kip – Frango
Koffie – Café
Eieren – Ovos
Vis – Peixe
Voedsel – Comida
Fruit – Frutas
Vlees – Carne
Melk – Leite
Mineraal water – Água mineral
Spuitwater – Água com gás
Peper – Pimenta
Zout – Sal
Soep – Sopa
Suiker – Açúcar
Thee – Chá
Groenten – Verduras
Rode wijn – Vinho tinto
Witte wijn – Vinho branco

Tijd – Datum

Hoe laat is het? – Que horas são?
Het is … – São …
1h15 – Uma e quinze
1h30 – Uma e meia
1h40 – Uma e quarenta
‘s Morgens – Da manhã
‘s Namiddags – Da tarde
‘s Avonds – Da noite
Wanneer? – Quando?
Vandaag – Hoje
Vanavond – Hoje de noite
Morgen – Amanhã
Overmorgen – Depois de amanhã
Gisteren – Ontem
Gans de dag – Todos o dia
Alle dagen – Todos os dias
Zondag – Domingo
Maandag – Segunda-feira
Dinsdag – Terça-feira
Woensdag – Quarta-feira
Donderdag – Quinta-feira
Vrijdag – Sexta-feira
Zaterdag – Sábado
Januari – Janeiro
Februari – Fevereiro
Maart – Março
April – Abril
Mei – Maio
Juni – Junho
Juli – Julho
Augustus – Agosto
September – Setembro
Oktober – Outubro
November – Novembro
December – Dezembro

Nummers

0 – Zero
1 – Um/uma
2 – Dois/duas
3 – Três
4 – Quatro
5 – Cinco
6 – Seis
Bij het vermelden van telefoonnummers, huisnummers e.d. gebruiken Brazilianen vaak “Meia” i.p.v. “Seis”
7 – Sete
8 – Oito
9 – Nove
10 – Dez
11 – Onze
12 – Doze
13 – Treze
14 – Quatorze
15 – Quinze
16 – Dezesseis
17 – Dezessete
18 – Dezoito
19 – Dezenove
20 – Vinte
30 – Trinta
40 – Quarenta
50 – Cinqüenta
60 – Sessenta
70 – Setenta
80 – Oitenta
90 – Noventa
100 – Cem
200 – Duzentos
300 – Trezentos
400 – Quatrocentos
500 – Quinhentos
600 – Seiscentos
700 – Setecentos
800 – Oitocentos
900 – Novecentos
1000 – Mil
Een miljoen – Um milhão
Eerste – Primeiro
Laatste – Último

Gemeenzame taal

Brazilianen kruiden hun taal met vreemde uitdrukkingen zoals:

Oi! – Hallo!
Tudo bem? – Alles ok?
Tudo bom – Alles ok
Chocante! – Uitstekend! Knap!
Merda! – Verdorie!
‘Ta lógico/’tá ótimo/’tá legal – Uitstekend/goed/ok!
Meu Deus! – Mijn God!
‘Tá louco! – Je bent gek!
‘Ta ligado? – Begrijp je?
Cópio? – Gesnapt?
Palavrão – Vloek
Nossa! (van “Nossa Senhora”) – Lieve hemel!
Opa! – Oeps!
Oba! – Wow!
Falou! – U zegt het!
Eu estou chateado com … – Ik ben boos om/op …
Tem jeito? – Is er een manier?
Sempre tem jeito – Er is altijd een weg
Batendo um papo – Een babbel slaan
Fio dental – Braziliaanse bikini
Garota – Meisje – Knap meisje – Gata
Cara – Kerel – Knappe kerel – Gato
Grana – Geld
Bagunça – Warboel
Bandido – Rover/gangster
Ladrão – Dief
Traficante – Drugskoerier
Brincadeira! – Wat een spel!
Fala sério! – Even ernstig wezen he!
Criatura – Schepsel

Een fotokopie maken is in de dagelijkse omgangstaal een “Xerox”.

Lichaamstaal

Brazilianen gebruiken eveneens een rijke lichaamstaal, haast een paralelle dialoog. De duim omhoog betekent evenveel “OK!” als “Alles goed!” en zelfs “Dank u!” (dit laatste ziet men vaak in het dagelijks verkeer). Een negatief “nee-nee” gezwaai met de wijsvinger komt dreigend over, vooral als het vlak onder de neus gedaan wordt, maar het is vrijwel altijd onschuldig. Een begroeting gaat dikwijls gepaard met een onschuldige “kus kus” op de wangen, meestal niet eens aanrakend. Mannen kloppen elkaar op de schouder met de linkerhand terwijl met de rechtse gewoon een stevige handdruk gegeven wordt. Om aan te duiden dat het snel moet gaan knippen Brazilianen met de duim en middelvinger terwijl ze de vuist schudden, een gebaar waar zij schijnbaar een monopolie op hebben. Met de vinger naar de hoek van uw oog wijzen betekent “Ik heb het wel door!”.
Telefoongesprekken worden vaak afgesloten met “Um abraço!” (omhelzing), evenals brieven en emails.

Divers

Kapper/kapster – Cabeleireiro/a
Reisagentschap – Agência de viagens
Stadhuis/gemeente – Prefeitura
School – Escola
Hogeschool – Faculdade
Universiteit – Universidade/Academia
Luchthaven – Aeroporto
Winkel – Loja
Bus Terminal – Rodoviária
Trein station – Ferroviária
Kerkhof – Cemitério
Sleepdienst – Reboque
Werkplaats – Oficina

De Braziliaanse munt


Geld – Dinheiro (voormalig briefje van 1 real)

De benaming van de Braziliaanse munt is al vijf keer veranderd sinds 1986. De “Real” houdt het nu al enkele jaren vol. Wordt uitgesproken als “HAY-ow”, meervoud “Hay-ice”. Een Real bestaat uit 100 “Centavos” en de op elkaar lijkende muntjes kunnen voor verwarring zorgen bij betalingen. Er zijn muntjes van 1, 5, 10, 25 en 50 centavos en ook nog eens een munt van 1 Real. De verschillende bankbriefjes onderscheiden zich van elkaar door een wisselende kleur, er bestaan briefjes van 1 (groen), 2 (blauw), 5 (blauw/paars), 10 (rood), 20 (geel), 50 (bruin) en 100 (blauw). De koers van de Real ten opzichte van de Euro schommelt tussen 2,5 en 2,8 Real voor 1 Euro. In de grote steden kunnen nu ook meestal Euro’s ingeruild worden tegen Reals, maar u maakt altijd meer kans met Dollars.

Divers

Churrascaria – Grill restaurant
Lanchonete – Snackbar – Padaria – Bakkerij


Churrascaria

Verkleinwoorden

Mercadinho – Klein warenhuis
Feirinha – Kleine markt
Barzinho – Kleine kroeg


TV pra cachorros (Honden TV) – Kippengrill

Boy – Loopjongen
Boi – Stier
(verschillende uitspraak!)
Motoboy – Levering per lichte motorfiets


Motoboy

Apotheek – Farmácia/Drogaria
Dokter – Médico/a
Verpleger/verpleegster – Enfermeiro/a
Geneesmiddel – Remédio
Hospitaal/kliniek – Hospital/Clínica

Oosten – Leste
Westen – Oeste
Noorden – Norte
Zuiden – Sul

De helft – Meio/metade
Dubbel – Duplo/dobro
Min of meer – Mais ou menos

Aangenaam! – Prazer!
Het genoegen was aan geheel aan mijn kant – O prazer foi meu!

Voetbal – Futebol
Scheidsrechter – Árbitro
Zwemmen – Nadar
Lopen – Correr
Gaan/rijden – Andar (Andar = ook “Verdieping)
Wandelen – Passear
Vliegen – Voar
Huisvlieg – Mosca doméstica
Mug – Mosquito
Hond – Cão/Cachorro
Kat – Gato/a
Aap – Macaco
Koe – Vaca
Kalkoen – Peru
Eend – Pato/pata
Vogel – Pássaro/ave
Gezicht – Rosto
Haar – Cabelo
Oog – Olho
Oor – Ouvido
Neus – Nariz
Kin – Queixo
Baard – Barba
Snor – Bigode
Schouder – Ombro
Rug – Costas
Ruggegraat – Coluna dorsal
Arm – Braço
Been – Perna
Voet – Pé
Vinger – Dedo
Teen – Dedo do pé
Nagel – Unha
Schoen – Sapato
Broek – Calça
Vest – Paletó
Kleed – Vestido
Rok – Saia

About these ads